Gereformeerde Kerk Putten

Een open, gastvrije en veelkleurige geloofsgemeenschap, met de Bijbel als bron en norm voor geloof en leven

Notre Dame

2019 Mei Ds. R. Bos

De brand in de Notre Dame van Parijs op 22 april heeft veel tongen en pennen in beweging gebracht. In de uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige reacties hoorde ik een echo van de dubbelzinnigheid waarmee onze cultuur omgaat met de christelijke wortels. Die dubbelzinnigheid kent aan de ene kant van het spectrum krampachtige ontkenning en even fanatieke bestrijding van alles van met kerk, geloof en christendom te maken heeft. Aan de andere kant van het spectrum zit een krampachtig en soms zelfs agressief vasthouden aan een voorbij verleden van een christelijke cultuur.

 

Ik vond het bijzonder om te zien en te horen hoe overtuigde seculiere Fransen en andere Europeanen oprecht verdrietig waren bij het zien van de ravage na de brand. In hun reacties was te horen en te lezen dat de Notre Dame voor hen meer is dan een toeristische trekpleister, cultureel erfgoed of het ‘hart van Parijs’. Weinigen konden overigens aangeven waar dat ‘meer’ dan voor hen zat.

 

Het is daarom aan ons als gelovigen om voor dat ‘meer’ nieuwe en eigentijdse woorden te vinden. Waarom is dit gebouw meer dan alleen maar een gebouw? Waarom raakt het zelfs seculieren dat daags na de brand het gouden kruis bij het altaar van de kerk stond te blinken? Wie is God voor ons in deze tijd en cultuur?

 

Zo staan we ook in onze eigen gemeente voor de uitdaging om nieuwe en eigentijdse woorden, theologie, metaforen en beelden voor dat ‘meer’ te vinden. Het oppoetsen van voorbije woorden, theologie en beelden zet geen zoden aan de dijk, ook niet als we die met hedendaagse muziek of media omlijsten.

Wij staan voor de uitdaging en de opdracht om woorden en beelden te vinden voor onze vragende, zoekende en twijfelende tijdgenoten. Het is aan ons om de woorden en daden van Jezus om te smeden tot eigen en hedendaagse woorden en daden. Het is ook aan ons om beschadigde Godshuizen weer op te bouwen, zodat er plaatsen blijven die ons en onze tijdgenoten uit blijven nodigen om onze cultuur in Gods licht te blijven zien.

Het is aan ons om een geloofsgemeenschap te organiseren waar beschadigd geloofsvertrouwen geheeld kan worden, plekken waar jong en oud elkaar kunnen ontmoeten, mensen uit verschillende hoeken en milieus, geluksvogels en pechvogels.

Het is nu aan ons om plekken te maken, te creëren, uit te sparen waar we de Stem van God kunnen vernemen, plekken waar voedsel en balsem is voor zoekende zielen.

 

Jezus zei: ‘Zoals de Vader mij heeft gezonden, zo zend Ik jullie de wereld in als mijn getuigen’ (Johannes 20:21).

Lukas 24: 13-35. De verwachting van de Emmaüsgangers

2019 April Ds. Dick Boekema

Mensen hebben soms hoge verwachtingen van bepaalde gebeurtenissen, of van andere mensen. Je begint aan een nieuwe baan, een vriendschap of relatie, en je verwacht en hoopt  dat het iets goeds gaat worden.  Mensen hebben verwachting van de tijd na hun pensioen, dat ze niet meer hoeven te werken, dat ze dingen gaan doen die ze altijd al hadden willen doen.  Maar hoe hoger de verwachtingen zijn, des te groter is de kans dat het tegen valt en dat er daarna teleurstelling komt.

Twee mensen, die hoge verwachtingen hadden van Jezus. Zij hadden verwacht dat Hij Israël verlossen zou, dat Hij het Joodse volk zou bevrijden van de overheersing door de Romeinen en koning zou worden in Jeruzalem. Een dikke week geleden begon het nog heel hoopvol toen Hij Jeruzalem binnen trok, en toegejuichd en bezongen werd door mensen langs de kant van de weg. Maar daarna verliep alles geheel anders dan zij hadden verwacht…

Jezus werd gearresteerd, ter dood veroordeeld, gekruisigd…

En nu…nu is alles voorbij… alle verwachtingen zijn de grond in geboord…

 

Zo hebben mensen van vandaag ook bepaalde verwachtingen van God.

Als er een God is, dan zorgt Hij er toch wel voor dat…  Als God liefde is, dan zal Hij toch niet toelaten dat…   Als God van mij houdt en mij vergeeft, dan zal dit en dat in mijn leven toch niet of misschien juist wel gebeuren… Soms komen die verwachtingen  uit, maar soms ook niet !  Soms lopen dingen anders dan we verwacht hadden en gewild hadden, en zijn we teleurgesteld in God, in de kerk, in onszelf, en komen er vragen en twijfels.

Wat kunnen en mogen wij van God verwachten in ons leven ?  Dat Hij precies doet wat wij willen en vinden dat Hij zou moeten doen ? Dat Hij er voor moet zorgen dat in deze wereld, en in ons leven, en in het leven van familie en vrienden in grote lijnen alles goed verloopt, geen ernstige ziekte, geen tegenslagen  ? Hoe graag we dat ook zouden willen, zo werkt het dus niet, God laat zich niet spannen voor het karretje van onze ideeën en wensen, want God is altijd groter en anders dan wij denken en willen.

Wat mogen we dan wel van God verwachten ? We mogen van God verwachten dat wat er ook gebeurt in ons leven aan goede en aan verdrietige dingen, dat Hij ons niet in de steek laat, maar altijd bij ons is en met ons mee gaat in ons leven, ons helpt, troost en kracht geeft om dit leven aan te kunnen, om door te gaan… Maar de ervaring van die nabijheid en aanwezigheid van God in ons leven, dat is geen vanzelfsprekendheid. Net als in het verhaal is Jezus er plotseling, en is Hij plotseling ook weer weg. Op die manier ervaren we vaak God in ons leven, even is Hij er, en dan is Hij er weer niet, dan lijkt Hij ver weg. Gods nabijheid en aanwezigheid, het golft altijd heen en weer, soms wel en dan weer niet…

 

Als ze in het dorp Emmaüs, bij het huis van de beide mannen zijn aangekomen, gaat Jezus mee naar binnen en Jezus deelt met hen de maaltijd, breekt het brood en spreekt de zegen uit. Al die tijd hadden ze Jezus niet herkent, maar dan staat er  dat hun ogen werden geopend en ze herkenden Hem. Maar dan is Hij ook meteen weer verdwenen…

Onder bijbeluitleggers is verschil van mening over de betekenis van deze maaltijd. Sommigen zien er een verwijzing in naar het Heilig Avondmaal. Het lijkt er inderdaad wel op, maar andere uitleggers zien hier meer een gewone maaltijd in, omdat er alleen over brood wordt gesproken en niet over wijn.

 

Hoe het ook zij, het is een maaltijd, waarin mensen uit Gods hand, uit de hand van Jezus, brood mogen ontvangen en het samen zijn en de gemeenschap mogen ervaren. Ook daarin mogen we iets zien van Gods aanwezigheid in ons leven. Wij mogen vele dingen uit Gods hand ontvangen zoals ons dagelijks brood. En alles wat we ontvangen, mogen we verder delen aan mensen om ons heen. Mensen ver weg in andere landen die leven in armoede en soms dreigen te sterven door de honger, en ook mensen dichtbij die het niet zo breed hebben.  Ook in het omzien naar elkaar, aandacht hebben voor elkaar en zorgen voor elkaar, mogen mensen iets ervaren van Gods aanwezigheid.

Het verhaal van de Emmaüsgangers, het vertelt ons, dat zoals Jezus bij de beide mannen kwam en met hen meeging, maar ook zo weer verdween dat ook God in ons leven bij ons komt, ons troost en kracht en moed geeft, met ons meegaat. In de lezing van de Bijbel, in de tekenen van brood en wijn, in de aandacht en zorg van een ander mens, soms diep in ons hart, op een bijzondere mystieke manier. God is er en gaat met ons meer, maar altijd anders dan wij denken, soms onverwachts, niet op te roepen of vast te houden, soms ervaren en voelen we God heel sterk, maar  een andere keer weer minder of niet. Maar toch, Hij is er en Hij gaat met ons mee.

‘Wie is Hij toch?’

2019 Maart Ds. R. Bos

Op een dag gaat Jezus met zijn leerlingen met een boot over het meer. Tijdens de overtocht barst een storm los. De boot maakt water en de leerlingen aan boord raken in nood. Dan spreekt Jezus de wind en het woeste water bestraffend toe. De wind gaat liggen, de golven bedaren. Met schrik en verbazing vragen de leerlingen: ‘Wie is Hij toch?’ (Marcus 4:41 in de Nieuwe Bijbelvertaling). De Bijbel in Gewone taal vertaalt daar: ‘Wie is deze man?’.

De eerste antwoorden op die vraag krijgen we van apostelen en evangelisten. Zo zijn (onder andere) de volgende antwoorden te lezen in het Nieuwe Testament: zoon van David, zoon van God, zoon van Jozef, licht der wereld, goede herder en brood des levens.

 

Na het afsluiten van het Nieuwe Testament zijn volgelingen van Jezus antwoorden blijven zoeken op de vraag ‘Wie is Hij toch?’ Door de eeuwen heen is de vraag ‘Wie is Hij toch?’ namelijk nooit tot rust gekomen. Keer op keer is het deze vraag die mensen heeft aangezet om gedichten te schrijven, schilderijen te maken, muziek te componeren of boeken te schrijven.

 

Keer op keer blijkt echter ook dat de vraag nooit definitief is te beantwoorden. Keer op keer ‘zien’ volgelingen van Jezus namelijk wel wat nieuws of anders in de Heer. En keer op keer blijkt Jezus zelf ook steeds weer anders te zijn dan we denken of hebben gedacht. Want net als je denkt ‘Nu begrijp ik het (een beetje)’ of ‘Nu begrijp ik Hem (een beetje)’ - dan lees je iets van of over Hem waardoor je weer van voren af aan moet beginnen. Zo blijven we bijvoorbeeld steeds oplopen tegen de manier waarop Jezus optreedt tegen een buitenlandse moeder die Hem smeekt om haar zieke dochter te genezen. ‘Het heil is niet voor de honden’, is de repliek van de goede Herder (Mattheüs 15:26). Die reactie past in geen enkel schema.

Van Jezus is dan ook geen gefatsoeneerde burger te maken. Hij houdt feestmaaltijden met landverraders en prostituées. Hij begeeft zich voortdurend onder de volksmassa, mensen die de wet niet kennen en zich ook niet aan de wet storen. Jezus zal niet altijd makkelijk geweest zijn voor de mensen van zijn tijd. Hij was een steen des aanstoots. En dat is Hij tot op de dag van vandaag.

En zo blijft in elke generatie voor iedere gelovige de vraag klinken: ‘Wie is deze man?’.

 

Daar komt bij dat als wij vragen wie Hij toch is, Jezus de vraag meteen omdraait: ‘Wie zeggen jullie dat Ik ben?’ (Lucas 9:20). Door die omkering van de vraag haalt Jezus ons uit de positie van de afstandelijke toeschouwer. Je kunt namelijk geen abstracte of onpersoonlijke verhandeling houden over Jezus. Het gaat steeds om onze eigen persoonlijke betrokkenheid, ons eigen geraakt zijn, ons eigen antwoord op deze vraag.

De belijdenis aangaande Jezus als Heer kan nooit een opgezegd lesje zijn, laat staan een lesje om er een ander de les mee te lezen. In het voetspoor van Jezus kom je vroeg of laat bij Golgotha terecht. En rond het kruis van Christus kunnen mensen elkaar geen kruis opleggen maar slechts elkaars kruis dragen.

 

We zijn in de kerk weer 40 dagen op weg om nieuwe, oude, vernieuwde maar vooral vernieuwende antwoorden te zoeken op deze twee vragen: ‘Wie is Hij toch?’ en ‘Wie zeggen jullie dat Ik ben?’

 

Formuleer op weg naar Pasen zelf eens antwoorden op deze twee vragen.

Nehemia 2: 11-2O Nehemia bouwt een muur om Jeruzalem

2019 Februari Ds. Dick Boekema

In onze tijd kunnen we het ons nauwelijks meer voorstellen, maar zowel in de tijd van de Bijbel als ook in Europa in de middeleeuwen, waren de meeste steden omringd door een muur. Soms zien we in oude steden nog een gedeelte van een oude stadmuur staan, maar die zijn vooral blijven staan als monument of als toeristische attractie. Ze hebben niet meer de functie van vroeger. Een muur om een stad moest de mensen beschermen tegen vijanden, tegen rovers en tegen wilde dieren. Een muur gaf bescherming en veiligheid.

In Nehemia 2 gaat het over Nehemia die de puinhopen van de stadmuren van Jeruzalem bekijkt. De stad Jeruzalem en haar muren waren in 587 voor Christus verwoest door de Babyloniërs en het Joodse volk was in ballingschap gevoerd. Een groot deel van de Joden mocht na 40 jaar terug keren naar huis, maar vele jaren later liggen het grootste deel van de stad en haar muren nog steeds in puin. Nehemia is één van de Joden is, die nog steeds in Babel woonde. Op een gegeven moment hoort hij dat het niet goed gaat met zijn Joodse volksgenoten thuis. Met toestemming van de Perzische koning Artaxerxes vertrekt Nehemia naar Jeruzalem met het plan de muur en de poorten rondom Jeruzalem weer op te bouwen om zo een normaal en goed leven in de stad weer mogelijk te maken.

Nadat Nehemia in Jeruzalem is aangekomen, besluit hij de muren te gaan bekijken. Ondanks de moeilijke taak de muren op te bouwen, doet Nehemia het voorstel om aan de slag te gaan. Hij doet daarbij een beroep op het eergevoel van de mensen. Hij zegt in vers 17: Laten we de stadsmuur weer opbouwen, zodat wij niet langer het mikpunt van spot zijn!'

En Nehemia zegt ook nog, 'Het is niet alleen mijn plan en mijn werk, maar God heeft mij de opdracht gegeven om de muren en de stad weer op te bouwen. Het is de God van de hemel die ons doet slagen.' Juist vanuit het vertrouwen dat God achter hem staat, gaat Nehemia aan het werk. Dat vertrouwen betekent niet dat God alles wel zal doen, maar een extra motivatie om zélf als mensen aan de slag te gaan. De herbouw van de muren, het is een moeilijke en bijna onmogelijke opdracht, maar vanuit een positieve instelling, vanuit het vertrouwen op God, begint Nehemia er aan en gaan ze aan het werk! Zo werkt het vaak in het leven. Als je ergens niet in gelooft, hoef je er ook niet aan te beginnen! Als je ergens wél in gelooft, wil niet altijd zeggen, dat je dan je doel ook altijd haalt, maar als je ergens voor gaat, scheelt het veel, in je persoonlijk leven, en ook ten aanzien van het werk in de kerk!

Nehemia bouwde zowel letterlijk als figuurlijk een muur om Jeruzalem. Die muur gaf veiligheid, stabiliteit, en een eigen identiteit aan het Joodse volk. In die moeilijke en harde tijd zal dat nodig zijn geweest om het land weer op te bouwen. Maar het bouwen van een muur heeft ook een nadeel, het geeft ook scheiding en uitsluiting. Net als de Joden die vandaag een metershoge muur bouwen langs de grens tussen Israël en Palestijns gebied op de westelijke Jordaan oever. Aan de ene kant begrijpelijk als veiligheid en bescherming tegen aanslagen en terreur, maar tegelijkertijd vergroot en verdiept zo'n muur de tegenstelling en de kloof tussen Joden en Palestijnen nog meer.

Ook in ons leven vandaag bestaan misschien niet in letterlijke zin, maar wel in figuurlijke zin muren. Wij praten over kerkmuren. Gelukkig kijken we in onze tijd veel meer over kerkmuren heen dan vroeger, kijken we veel meer naar wat ons verbindt dan naar wat ons scheidt. Maar dat wil niet zeggen dat die kerkmuren er niet meer zijn. Ze zijn weliswaar een stuk lager dan vroeger, maar ze zijn er nog wel...

Natuurlijk zijn er verschillen tussen mensen en denken we en geloven we verschillend, maar we geloven toch allemaal in dezelfde God, geloven in dezelfde Jezus die zijn leven voor ons heeft gegeven, lezen uit dezelfde Bijbel, waarom kunnen we dan niet anders met elkaar omgaan? Ook binnen één en dezelfde kerk vormen mensen groepjes, zetten zich af tegen mensen die op een iets andere manier geloven, of van andere liederen houden, of een iets andere opzet of liturgie van de dienst. En zo bouwen we ook weer muurtjes binnen één en dezelfde kerkelijke gemeente! Waarom is het zo moeilijk om elkaar te respecteren en te aanvaarden, elkaar de ruimte te geven om ieder op zijn of haar manier te geloven en dat geloof te uiten en vorm te geven?

Misschien ontkomen we er ook niet helemaal aan, aan dat bouwen van muurtjes, is het voor een deel ook nodig, want we hebben behoefte aan veiligheid, eigen identiteit, eigen overtuiging en geloof. Als we in onze muurtjes ook maar grote ramen houden en grote poorten die wijd open kunnen, en zodat we niet alleen onszelf en ons eigen groep zien en horen, maar ook de anderen.

In het NT staat ook een tekst over muren, in Efeze 2:14. Daar zegt Paulus dat Jezus onze vrede is, dat Jezus door zijn dood en opstanding de twee werelden één heeft gemaakt, en de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken. Met die twee werelden bedoelt Paulus de wereld van de heidenen en de wereld van de Joden. Die waren streng gescheiden, daar stond een stevige dikke muur tussen. Maar door het sterven van Jezus is die muur afgebroken. Door het sterven van Jezus is er geen verschil meer tussen Joden en heidenen, geen verschil meer tussen mensen. Natuurlijk zijn mensen heel verschillend, maar door het geloof in Jezus zijn we voor God allemaal gelijk, wie of wat we ook zijn, er mogen geen onoverkomelijke en ondoordringbare muren tussen ons bestaan. We horen allemaal bij elkaar, omdat we bij God, bij Jezus horen !

Dat we allemaal bij elkaar horen door het geloof, dat mogen we iedere zondag horen in de preek, in liederen en gebeden. Dat we bij elkaar horen, dat mogen we zien in de sacramenten van het delen van brood en wijn, en in de doop. Woorden en tekenen van gemeenschap, van het bij elkaar horen, in hetzelfde geloof in dezelfde God en Vader.

Volhouden en vasthouden

2019 Januari Ds. R. Bos

Wij hebben een hooggeplaatste hogepriester die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God. Laten we daarom elke keer opnieuw vasthouden aan het geloof dat we belijden. Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden. (Hebreeën 4:14-16)

In de bijeenkomst op nieuwjaarsmorgen las ik bovenstaande woorden omdat ik werd geraakt door de woorden ‘Laten we daarom elke keer opnieuw vasthouden aan het geloof dat we belijden’.
En dat vasthouden aan het geloof dat we belijden is temeer van belang gezien het huidige culturele en maatschappelijke klimaat. Dat klimaat wordt – zoals ik dat zelf ervaar en voel – bepaald door woorden als onzekerheid, ongenoegen, boosheid en angst. De uitingsvormen van dat klimaat zijn namen en fenomenen als Brexit, Donald Trump, gele hesjes.
In dat klimaat ademen we dagelijks via tv, krant en sociale media; via gesprekken met vrienden, familie en collega’s. En juist omdat niemand voor die invloed immuun is, juist daarom is het van belang ‘om vast te houden aan het geloof dat we belijden’.

Nu weten we vrijwel niets van de persoon van de schrijver van de brief aan de Hebreeën. We weten echter wel iets van de omstandigheden in de gemeente waar deze brief voor is bedoeld. We dateren deze brief zo rond de wisseling van de eerste en de tweede eeuw. Dat betekent dat de gemeente bestaat uit zogeheten tweedegeneratiegelovigen. De eerste generatie had de prediking nog gehoord van de apostelen zelf, die waren zelf overgegaan van het heidendom naar de gemeente van Christus, of ze waren vanuit hun Joodse achtergrond het Evangelie van de Messias gevolgd.

Rond die eerste eeuwwisseling begint het oorspronkelijke enthousiasme van de eerste generatie volgelingen van Christus te verflauwen. Die tweede generatie neemt het geloof van hun ouders niet zonder meer over. Die vragen – in hedendaagse woorden gezegd - naar relevantie en betekenis van God en geloven. In die tweede generatie beginnen
jongeren afscheid te nemen van het geloof en van de geloofsgemeenschap van hun ouders.

Aan het begin van de tweede eeuw stond de toenmalige geloofsgemeenschap voor de uitdaging om fris en vrijmoedig ‘opnieuw vast te houden aan het geloof dat we belijden’. En met dat ‘vasthouden’ bedoelt de schrijver niet vasthouden aan zekerheden uit het verleden. Gezien de woorden die hij gebruikt doelt hij op het telkens opnieuw zoeken van dat belijden van het geloof.

Ook wij worden geconfronteerd met een generatie die het geloof van de ouders niet meer vanzelfsprekend volgt. Net als destijds aan het begin van de tweede eeuw staan wij in onze eigen tijd dus eveneens voor de uitdaging om fris en vrijmoedig te zoeken naar een belijden dat vandaag uitdrukking geeft aan ons geloven. En gaan die uitdaging gaan we aan met de uitnodiging van de schrijver van Hebreeën.

Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens barmhartigheid en genade vinden.

Ik wens onszelf toe dat al ons kerkelijke spreken en doen en laten in dat teken zal staan: zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige.

Een klassieke aanduiding voor de kerkdienst is het woord ‘godsdienstoefening’. Wat mij betreft geldt dat niet alleen voor de kerkdienst maar voor alle kerkelijke activiteiten: het zijn godsdienstoefeningen, oefeningen in het dienen van God, oefeningen in het naderen tot de troon van de Genadige, oefeningen in barmhartigheid, oefeningen in het betonen van genade.

Wanneer we zo geloofsgemeenschap zijn, dan hoeft onze levensstijl niet bepaald te worden door angst, boosheid en ongenoegen, maar dan ontstaat ruimte voor een levensstijl die zich kenmerkt door woorden en daden die bij de troon van de Genadige vandaan komen. En dat zijn altijd tastbare tekenen van barmhartigheid, daden vol van genade.

Veel heil en zegen in 2019!

Twijfelende gelovige

2019 Mei Mevr. M. Michielsen

Jonas leest het prentenboek ‘Heksje Mimi is niet bang’.

Jonas: ,,Is dat een hand onder aan die bezem?’’

Ik: ,,Nee Jonas, dat zijn takken. Vroeger maakten ze bezems van takken.’’

Even stil.

Jonas: ,,Mama, hoe kan het dat heksen kunnen vliegen op een bezem?’’

Ik: ,,Heksen kunnen niet vliegen op een bezem, want heksen bestaan niet. Dat is allemaal verzonnen.’’ En terwijl ik dat zeg, overvalt de gedachte mij: Jezus kan niet opstaan uit de dood, want Jezus bestaat niet.

 

Maakt u zich geen zorgen, ik zit niet in een geloofscrisis, maar ik vroeg me wel af waarom mijn antwoord op de vraag ‘Hoe kan Jezus opstaan uit de dood?’ anders is dan het antwoord op de vraag ‘Hoe kunnen heksen vliegen op een bezem?’ Waarom zeg ik niet: ,,Jezus kan niet opstaan uit de dood. Dat is allemaal verzonnen.’’ Bewijzen heb ik immers niet en laten we eerlijk zijn, het klinkt behoorlijk sprookjesachtig.

Blijkbaar is er iets in het evangelie, in mijn christelijke opvoeding dat zich in mij heeft geworteld. Een vermoeden, een hoop, bij vlagen een vertrouwen, dat het waar is: dat God bestaat en dat het goed komt met de wereld, met de mens. Het liefst wil ik dat nu ook nog aan mijn kinderen meegeven. Knap lastig als je er zelf al nauwelijks woorden voor kunt vinden en het in je eigen hoofd soms behoorlijk onzinnig klinkt. Hoewel…

Laatst haalde ik met twee vriendinnen van de lagere school herinneringen op. We kwamen al pratend  over geloven. Een van hen merkte op: ,,Ja, maar jij bent echt een twijfelende gelovige.’’ De ander knikte instemmend.

Die opmerking bleef nog een tijdje nagalmen in mijn hoofd en ik dacht: Ja, ho eens even. Dat ik het soms behoorlijk irrationeel vind klinken, wil toch niet zeggen dat ik een twijfelende gelovige ben? Ergens voelde ik me beledigd.

Maar waarom raakte die opmerking mij zo? Ze hadden toch gelijk? Ik spreek me immers nooit zeker uit over mijn geloof. Ik zwak het eerder af, zet er liever vraagtekens bij, dan dat ik laat blijken wat geloven voor mij betekent. Waarom heb ik dan zo’n moeite met de term ‘twijfelende gelovige’? Waar zit hem dat in? En dus vroeg ik mij af: is het mogelijk om mijzelf wél een gelovige te voelen, terwijl ik het bestaan van God soms betwijfel? Daar ging ik eens over nadenken…

Soms vertrouw ik op een God die groter is dan ik kan bevatten. Die aan het begin staat van deze aarde. In Jezus die ons laat zien wat het betekent om kind van God te zijn. In de goedheid die in ieder mens zit en die we bij elkaar kunnen versterken, door elkaar dezelfde kansen te geven, elkaar liefde te geven. Ik vertrouw dan op de geest die als kracht van God in mij en in andere mensen werkt.

Soms is geloven in God voor mij echter geen zekerheid en vraag ik me zelfs af of we onszelf niet voor de gek houden. Mijn geloof uit zich dan vooral in de manier waarop ik in het leven sta. Ik heb er namelijk voor gekozen om mijn manier van leven te baseren op wat ik leer vanuit de christelijke traditie, de verhalen uit de Bijbel en de persoon Jezus. Op wat ik ervaar aan liefde en goedheid  in contact met mensen.  Op wat ik ervaar aan innerlijke kracht als ik mijn geweten laat spreken en daar naar handel.

En ja, blijkbaar is het laveren tussen die twee manieren van geloven, die soms ver uit elkaar liggen en elkaar soms overlappen, voor mij voldoende om me in elk geval een gelovige te voelen.

Maar hoe zorg ik er nu voor dat andere mensen in mijn omgeving en mijn kinderen ook iets zien van dat geloof? Ze niet aan mij denken als een gelovige die overal haar twijfels bij heeft, maar als een gelovige die ondanks haar vragen laat zien hoe krachtig en waardevol het voor haar is. Daar ben ik de laatste tijd nadrukkelijker naar op zoek. Ik zoek woorden om me uit te spreken over dat geloof. Ik zoek naar mensen binnen en buiten onze gemeente die ook bezig zijn met de vraag wat belangrijk is in het leven en waar kerk-zijn om draait. En ik wil meer doen! Want ik kan de prachtigste woorden vinden, maar geloofwaardig word ik pas als ik mijn geloof ook naleef.

Opstaan

2019 April Dhr. J. Plomp

De dood maakt opstandig. Wie leeft, weet dat hij met hem te maken krijgt: ooit ontmoet je de dood. Hij komt en hij kent vele variaties. Soms wordt er naar hem uitgezien en lijkt hij te treuzelen, soms is hij er plotseling, onverwacht. Soms is er ziekte en soms is er een ander die doodslaat, soms is er verkeer en soms is er een natuurramp. De dood is het onherroepelijke einde.

Opstandig worden zij die van de dood horen. Een arts die je meedeelt dat er niets meer voor je te doen is, een kinderarts die uitlegt dat de levenskansen van het nieuwe leven vrijwel nihil zijn, een agent aan de deur die van een zwaargewonde spreekt, bij wie de overlevingskansen minimaal zijn of erger, iemand die met de dieptreurige boodschap komt dat je man in een tram is doodgeschoten.

Ontkenning (“dit kan niet waar zijn, zeg me dat het niet waar is”) en boosheid strijden om voorrang. Waarom treft dit mij? Het maakt de omgeving machteloos, want het is wel waar. Het treft jou en uiteindelijk treft het iedereen. Maar de geest wil er nog niet aan. Het duurt lang voor je weet te leven met gemis. We rouwen. Waar  samen alleen is geworden, is de glans verdwenen. De wereld ziet er anders uit. Je neemt het haar zelfs kwalijk dat zij doodgewoon verder draait, dat het leven gewoon doorgaat. De dood maakt opstandig. Je legt je er niet zomaar bij neer.

Het is opmerkelijk hoe de natuur sporen uitwist. In de Eerste Wereldoorlog veranderden de velden in Vlaanderen in dodenakkers. De grond lag er omgewoeld bij. Een jaar later bloeiden er uitbundig duizenden klaprozen. De wereld draaide door, het leven ging verder. De doden keerden niet terug, maar het leven won.

Het duurt lang, maar iemand die leeft met gemis ontdekt op een bepaald moment de gouden dagenraad, hoort vogels fluiten, ziet de knoppen aan bomen en struiken openbarsten, ziet de dode natuur tot leven komen, vindt troost bij anderen, ondervindt warmte, ziet een glimlach en weet, aarzelend, zelf een glimlach op zijn gezicht te toveren. Niet jouw leven wint, maar het leven wint. Je legt je er niet bij neer, maar je staat op.

Pasen is niet leven met gemis, maar leven omdat Hij er is. Hoog tijd om op te staan.

Veertigdagentijd

2019 Maart Mevr. L. Veen

Al jaren geef ik in de maand april een avond voor Vorming en Toerusting. De onderwerpen lopen uiteen:  o.a. hoop, verwondering, liefde, levenskunst, verdriet en hoe daarmee om te gaan.   Juist in de maand april, omdat ik mij dan in de voorafgaande maand kan bezinnen op het onderwerp.  De Veertigdagentijd leent zich daar uitermate goed voor. Een periode van veertig dagen om je te bezinnen wat de weg naar Pasen voor je betekent en hoe je dit in de levenspraktijk kan toepassen. De Stille week voor Pasen telt in de telling van de veertig dagen  niet mee, maar is voor mij in de overdenking zeer belangrijk, om in de zanggroep van de kerk elke dag toe te groeien naar het licht van Pasen. Het geeft een soort verlichting om elke dag de weg van Jezus na te lopen. Wie zijn wij, kleine mensen in vergelijking tot Christus, maar om in spirituele zin het spoor van Christus te volgen, maakt je juist klein, het laat je klein voelen tegenover die immense Goddelijke kracht. Om deze weg te volgen en dan vervolgens te komen tot de Paasmorgen geeft een stimulans, een bevrijding.

Het onderwerp dat ik dit jaar gekozen heb is  Vertrouwen.  Niet toevallig, omdat ik voel dat juist na deze weken van overdenking in de Veertigdagentijd ik vanzelfsprekend uit zou komen bij vertrouwen. Vertrouwen is zo’n sterk woord, je ziet het ook overal in de natuur om je heen. Vertrouwen betekent dat je je veilig voelt. In de natuur om je heen zie je ook hoe ouders hun kinderen koesteren, vertroetelen en warm houden.  Daarom hebben kinderen over het algemeen vertrouwen naar hun ouders, omdat ze zich veilig kunnen voelen.  Voor een kind betekent veiligheid het hoogste goed.  Daar kan een kind in groeien tot een zelfbewust eigen karakter, tot een warm mens.  Want hij of zij mag zijn wie hij of zij is.  Liefde, harmonie en schoonheid maken een mens gelukkig, maakt de natuur vredig.

We kunnen luisteren naar elkaar, naar het woord van God. De liefde tot God begint  ermee dat je luistert naar Zijn woord. Dat je vertrouwd raakt, je veilig voelt en in staat bent om te helpen, niemand is te goed voor de geringste dienst. Je draagt een verantwoordelijkheid naar de ander. Die ander, dat ben jij ook. God zal altijd mensen met hun eisen en vragen  op onze weg plaatsen. Ons eigen werk wordt hierdoor onderbroken. We moeten bereid zijn ons eigen werk door God te laten onderbreken, altijd weer.  We dragen elkaars lasten.  De wet van Christus is dus een wet die over verdragen gaat. De bijbel kan het leven van een gelovige aanduiden als een dragen van het kruis. Het gaat om die unieke situatie van mens tot mens waarin de ene mens de andere mag helpen met de troost en de goedheid van God.   Verantwoordelijkheid dragen, elkaars lasten dragen en verdragen, dragen zoals Christus ons voorgedaan heeft?

Wij mensen nemen vaak de gemakkelijkste weg, de weg van de minste weerstand. Een ander doet het wel…  ik heb geen tijd, ik ben daar niet goed in, ik durf dat niet.  Ga er nu eens voor staan, neem de verantwoordelijkheid eens op je, doe iets!  Bel eens op, schrijf een brief, ga eens op bezoek, het kan een anders pad verlichten.  En luister eens wat iemand nodig heeft, doe niet wat jij denkt dat goed is…  Het pad naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen.  Een paar jaar geleden heb ik een uur naast iemand gestaan, alleen geluisterd, alleen een hand vastgehouden, alleen zijn.  Bij een vriendin heb ik een van mijn avonden voor haar alleen gehouden, gewoon, omdat zij dat graag zou willen. Een ander wilde graag dat ik een gedicht voor las. Het gaat er niet om wat ik gedaan heb, ik ben niet belangrijk, het gaat om die ander, luister, voel wat die ander nodig heeft.  Ik denk dat dat samen leven is,  samen mens zijn, samen kerk zijn in haar puurste vorm.  Kan ik een boodschap voor je doen?  Ik ga toch naar het dorp, geen moeite!  Wij dragen elkaar, zo is onze kerk.  Denk daar eens aan in de komende tijd, bezin je daar eens over, de Veertigdagentijd komt eraan!

 

De liefde ...

2019 Februari Mevr. E. Meter

Nogal eens krijgen stellen in hun trouwdienst een tekst uit L Kor. 13 over de liefde mee. "De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. ze, alles gelooft ze alles hoopt ze, in alles volhardt ze."

Als je dit als een opdracht voor je verbintenis ziet, altijd op die manier liefdevol zijn, dan kun je het er nog behoorlijk moeilijk mee krijgen. Want ik weet niet hoe het bij u gaat, maar ik kan hier nogal in tekort schieten. We zouden welhaast heiligen moeten zijn om ons altijd als de liefde te gedragen en dat vol te houden. Niet zelden moet de liefde het afleggen tegen onvermogen of onwil en lijdt ze door ons toedoen schipbreuk.

Loslaten dan maar? Nee, want zonder liefde kunnen we niet en willen we niet. Maar hoe dan wel? Jac. en ik zijn elkaars 'tweede kans' nadat door de dood en door scheiding aan onze eerdere huwelijken een einde was gekomen. In onze trouwdienst kregen we het zorgvuldig gekozen verhaal van Ruth mee, omdat alles van ons er in zat.

De kern van het verhaal van Ruth is haar bereidheid om achter zich te laten wat geweest was en het onbekende land in te trekken. Misschien gaat het in de liefde hier om: de liefde voorop stellen, je hart te laten spreken en bereid zijn de eisen van je ego op het tweede plan te zetten. Niet dat je fouten maakt in de liefde telt, maar dat je bereid bent verder te kijken en verder te willen. Je open stellen voor de liefde en haar steeds opnieuw de kans te geven.

De liefde is een geschenk. Iets om behoedzaam mee om te gaan als het je ten deel valt, want het is kostbaar. En kwetsbaar. En soms moeilijk, het vraagt iets van ons. Wij hebben de liefde nodig, want liefdeloosheid is geen leven. Maar niet minder heeft de liefde óns nodig om te bestaan en tot bloei te kunnen komen. We kunnen niet zonder elkaar, de liefde en wij.

Doorgeven

2019 Januari Dhr. J. Plomp

Iedereen die kinderen krijgt of met kinderen te maken heeft, doet aan jeugdwerk. Kinderen zijn geen bezit, je krijgt ze te leen en je geeft hun de wereld door. Zo moet je zuinig zijn op wie je leent en op wat je doorgeeft. Het is een verantwoordelijke taak.

Kinderen zijn kwetsbaar. Daarom doe je aan voeding en opvoeding. Je leeft voor hoe je mens en dus medemens kunt zijn binnen het spanningsveld van leiden en laten groeien. Je zoekt als opvoeder naar de veilige ruimte om ervaring de beste leermeester te laten zijn. Je leert toch het meest van je fouten?

Kinderen ontwikkelen zich. Je kunt geen kind ontwikkelen, dat moet het zelf doen. Je kunt hooguit zorgen voor gunstige voorwaarden en als je kind goed terechtkomt, heb je voornamelijk geluk gehad.

De wereld die je doorgeeft is niet alleen de aarde, het is ook de wereld die je beleeft, je normen en waarden, je geloof. Je wilt immers als opvoeder (en dus ook als jeugdwerker) geloofwaardig zijn. Je bent geloofwaardig als je je geloof voorleeft en doorgeeft. Je geloof heeft te maken met woorden en daden. Je kunt dan steun ondervinden van een groep min of meer gelijkgestemden: je kerk.

Daarom doet de kerk aan jeugdwerk. Zoals opvoeden een zoektocht is, zo is jeugdwerk telkens weer een zoektocht. Het blijft speuren naar de aansprekende veilige ruimte, de voorwaarden om iedereen in een groep tot zijn recht te laten komen, talenten te ontdekken en te laten gebruiken, samen te groeien in geloof. Het betekent ook hier woorden en daden.

Welke woorden? Eenvoudig, de verhalen. Hun verhaal, jouw verhaal, het verhaal. Het verhaal van God en de mensen. De verhalen uit de bijbel. Niet uitleggen, niet interpreteren, nee, gewoon vertellen. Later ontdekken ze wel dat in de verhalen meer waarheid zit dan in feiten.

Jeugdwerkers moeten gewoon laten zien dat ze wat te vertellen hebben. Laten we nooit ophouden de verhalen door te geven.